Colette: Sido

Auteur: Colette
Titel: Sido
Vertaler: Kiki Coumans
Uitgever: Vleugels
ISBN: 9789078627609
verscheen december 2018
80 pagina's
besproken door Elisabeth Francet
Sinds De eerste keer dat ik mijn hoed verloor heb ik mijn hart verpand aan de flamboyante Franse schrijfster Sidonie Gabrielle Colette. In haar autobiografisch werk schrijft Colette lyrisch, zinnelijk en vrijmoedig over haar kinderjaren in het Bourgondische dorp Saint-Sauveur, het huis waar ze opgroeide en in het bijzonder haar moeder Sido. Colette vertrouwde, in leven en werk, op haar sensorische geheugen en haar talent voor verwondering. Ze was intrinsiek vrij en trok zich weinig aan van verwachtingen em oordelen van anderen. Onder invloed van haar moeder ontwikkelde ze een sterke band met de natuurelementen, planten, dieren en seizoenen. Als kind van het platteland wilde ze helemaal niet schrijven: daarvoor leefde ze te graag, te gretig.
Met Sido blikt ze op oudere leeftijd terug op een ongedwongen jeugd in een paradijselijke omgeving. In een weelderige, prikkelende taal zet ze haar trotse, eigenzinnige moeder neer als een gepassioneerde vrouw, gezegend met zelfspot en gezond verstand: koppig als een ezel, eerlijk als goud. Colette steekt haar adoratie voor Sido niet onder stoelen of banken. Zelfs niet als ze haar argwanend bejegent, wanneer ze weer eens zit te dromen: 'Wat kijk je vandaag toch onnozel uit je ogen, meisje! Je bent trouwens erg mooi als je zo onnozel kijkt. Jammer dat het maar zo zelden voorkomt.' 'Misschien was ik mooi; mijnmoeder en de foto's uit die tijd zijn het daarover niet altijd eens'.
Uitbundig haalt Colette herinneringen op aan okerkleurige zomers en hagelwitte winters. De achtertuinen gaven Saint-Sauveur zijn karakter. Er werd druk gecommuniceerd van de ene naar de andere tuin. 'Hoezo achterdocht op het platteland? Onze tuinen vertelden elkaar alles.' 'Staande tussen de pomp, de hortensia's, de treures en de stokoude notenboom, […] haar hoofd en haar bezielde blik omhoog', werpt Sido de buurvrouw over de muur een boeket viooltjes toe, Geen van de omliggende tuinen ontkomt aan Sido's invloed. De tuin is een heiligdom, een plek waar ze vrij is. Ook Colette kan op ieder moment voor die vrijheid kiezen. Door een eenvoudige klauterpartij over een hek, een schuin afdakje, springend van muur naar muur, verkent ze onbekende terreinen em vertrouwde wonderen.
Het kind observeert zwijgend, denkt het hare over de dingen en laat zelden in haar kaarten kijken. Die geestelijke onafhankelijkheid zal Colette in haar verdere leven en werk bevechten en behouden. 'Minet-Chéri': zo noemt Sido haar dochter, wier trots – omdat ze in Parijs gaat wonen – ze later bespot. Haar moeder verkiest de provincie boven Parijs em oordeelt ondeskundig over de stedelingen. Colette windt zich regelmatig op over die onhebbelijkheid van haar moeder: 'Waar haalde ze de autoriteit van die oordelen vandaan, de stelligheid, terwijl ze zelf nog geen drie keer per jaar buiten haar departement kwam?' Toch begrijpt ze haar moeders hang naar het platteland. In poëtische resonantie keert ze terug naar een tijd van overvloed in Saint-Sauveur, puttend uit een rijk arsenaal aan herinneringen. Op de voorgrond plaatst ze haar moeder en, als een tros bengelend aan haar armen, haar echtgenoot (de kapitein) en hun kinderen (de wilden).
Haar broers zijn échte wilden: 'Twee lichtvoetige, magere, knokige buitenkinderen. Gematigd en puur.' De oudere halfzus (uit Sido's eerste huwelijk), 'op een aangename manier lelijk met haar Tibetaanse ogen', sluit zich op in de literatuur en in de melancholie. Allen lezen ze buitensporig veel, op het maniakale af. 's Zomers gaat Colette soms voor dag en dauw op stap, met een leeg mandje aan elke arm, om in de nevelen langs de rivier aardbeien en bessen te plukken. Op de terugweg spitst ze haar oren, kijkt nieuwsgierig rond, luistert naar gesprekken in haar omgeving, oordeelt niet. Ze neemt slechts waar em registreert. Colette is ervan overtuigd dat 'de reflecterende gloed van de vlammend rode rij geraniums langs het terras en van het vingerhoedskruid dat uit het kreupelhout opdook', haar kinderwangen hun hoogrode kleur gaf. Kleuren, geuren, smaken en texturen zijn prominent aanwezig in Colettes herinneringen.
's Winters, wanneer een sneeuwstorm op komst is, rent Colette 'op commando van haar moeder als een fanatiek scheepsmaatje van het familieschip met klepperende klompen het huis rond' om ramen, deuren en luiken te vergrendelen. Sido is een levend weerstation. Door het aantal rokken om de ui te tellen of de gang van de schildpad te observeren, weet ze of het een strenge winter zal worden. 'Dooi? Daar kunnen Parijse meteorologen mij niks over vertellen! Kijk eens naar de pootjes van de poes.' Sido praat zonder ooit naar woorden te zoeken en heeft daarbij steeds een gebruiksvoorwerp in de hand: een mattenklopper, een snoeischaar, een kleerborstel. Aards als ze is, houdt ze zich afzijdig van katholieke kinderachtigheden. Wel heft ze vaak opgewonden haar hoofd naar de hemel, 'waar ze de religies van mensen geen plaats gunde'.
Colettes moeder wordt maar door één persoon – haar toegewijde echtgenoot Jules- Joseph Colette – 'Sido' genoemd. De lyrische inslag van haar eenbenige vader en de spontane nuchterheid van haar moeder verenigen zich in Colette. Ze verbaast zich erover dat ze haar vader zo slecht heeft gekend. Zijn gezicht ziet ze slechts vaag voor zich. Levendig herinnert ze zich zijn houding, zijn bleke hand, zijn hartstocht voor haar moeder. Kapitein Colette zingt wanneer hij kwaad of verdrietig is en als hij zingt, luistert Sido naar hem en onderbreekt hem niet. 'Te laat, te laat', verzucht Colette. 'Had ik, toen hij nog leefde, niet door zijn spottende waardigheid en zijn geforceerde frivoliteit heen moeten kijken?' Voor haar vader waren alle bloemen rozen. Hij was een stadsmens en wilde niet met de natuur bezig zijn, wel met de politiek, met mensen. Nooit zag Colette haar vader de kat, de hond of het paard aanraken. 'Het was ondenkbaar dat haar moeder voor haar vader zou komen te sterven.'
Colettes jongste broer, in haar herinnering een elfenkind, zoekt haar vele decennia later op in Parijs. De zwijgzame, grijzende man vertelt dat hij is teruggegaan naar Saint-Sauveur, naar de plekken waar ze als kind zo veel tijd door-brachten. Volgt een prachtige passage, waarin hij uitvoerig vertelt over een oud tuinhek met een piepende klink. In die passage lijkt hun hele jeugd vervat. Daarna gaat hij weg. 'Hij had me verder niets te vertellen.'
In Sido laat Colette ongecompliceerd haar exuberante taal bliksemen en fonkelen. Ze is een estheet pur sang. Wat lelijk is, wordt in haar handschrift mooi en wat haar zintuigen beroert, verandert ze al schrijvend in goud. Zinnelijkheid schuilt bij Colette in ieder woord: je proeft en ruikt de regen, betast de opkomende zon, kruipt in het hart van een bloem em staart recht in het zwarte oog van een salamander. Ze verkent de wereld om zich heen zo ongekunsteld en ongeremd dat er nauwelijks aan valt te weerstaan. Colette lezen is als thuiskomen in het leven.